Noodwebsite van de

Vereniging voor Ontwikkeling & Emancipatie van Moslims (VOEM) vzw
 

 
 

Verslag gespreksavond: "Jonge moslims op zoek naar een eigen plek"

2-12-2011 - Fien Ingelbrecht - VOEM vzw Gent




De interculturele dialoog over moslims in Vlaanderen stimuleren, dat is het doel van het samenwerkingsverband Dar Es Salaam – Huis van de Vrede. Bij de edities in Antwerpen, Gent en Kortrijk worden zo steeds verschillende lokale partners verenigd.

De laatste gespreksavond binnen de tweede editie van Dar Es Salaam Kortrijk richtte zich expliciet op jongeren, want zij zijn tenslotte de toekomst van de samenleving.

Jonge moslims hebben het vaak moeilijk om een eigen plek te vinden in de Vlaamse samenleving. Belangrijke elementen voor het vinden van een eigen plaats zijn enerzijds participatie en anderzijds het delen van waarden en normen. Deze concepten hangen ook grotendeels samen: wie participeert, gaat anders om met die samenleving.

Mohamed Lahlali is stafmedewerker binnen de dienst tewerkstelling van het Minderhedenforum, een organisatie die zich inzet voor de belangen van etnisch-culturele minderheden. Hans Van Crombrugge is Doctor in de Pedagogische wetenschappen en verbonden aan het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen. Hij heeft onderzoek verricht naar de rol van levensbeschouwingen binnen het gezin en de opvoeding, waarbij ook de rol van de islam onderzocht werd. Beide sprekers nemen één van beide invalshoeken voor zich, respectievelijk de invalshoek van participatie en deze van gedeelde waarden en normen. Door middel van een interviewgesprek met Rosalie Heens van vzw Motief stellen beiden hun ideeën voor.

Participatie volgens Mohamed Lahlali

Wat betreft tewerkstelling en participatie is de situatie voor minderheidsgroepen volgens Lahlali allerminst rooskleurig. Onderzoek heeft aangetoond dat meer dan 20% van de werkzoekenden tot etnisch-culturele minderheden behoort. Oorzaken zijn onder meer de selectieprocessen in verschillende bedrijven, die sterk cultureel bepaald zijn. Psychotechnische testen zijn bijvoorbeeld opgesteld in een bepaalde vaktaal, maar eerst moet men natuurlijk die taal begrijpen vooraleer men de testen kan afleggen. Veel laaggeschoolde autochtonen die thuis louter dialect praten, worden trouwens met hetzelfde probleem geconfronteerd.

Specifiek over moslimjongeren weet Lahlali echter niet veel te zeggen. Het Minderhedenforum werkt namelijk slechts voor een klein deel rond islam. Waar wel een duidelijk standpunt over ingenomen wordt, is de kwestie rond de hoofddoek. Volgens Lahlali is er binnen onze samenleving sprake van een getolereerde discriminatie tegenover de hoofddoek. Een Brusselse rechter baseert zijn veroordeling op basis van de ‘ongeschreven regel’ dat de hoofddoek op het werk niet kan. Als bedrijven een afspiegeling willen zijn van de samenleving, dan moeten ze hoofddoeken toelaten. Maar in de realiteit is er nog veel te vaak uitsluiting, vaak met steun van de gemeente. Deze situatie is uiterst hypocriet, aldus Lahlali. Hooggeschoolde moslima’s, die bewust kiezen voor hun hoofddoek, hebben drie jaar kleuteronderwijs, zes jaar lagere school en zes jaar middelbaar doorlopen, waarna ze een hogere opleiding gevolgd hebben. De staat heeft steeds geïnvesteerd in hun opleiding en nu ze eindelijk iets kunnen terugdoen, mogen ze niet werken, omdat ze een hoofddoek dragen.

De oplossingen voor de problemen rond tewerkstelling blijven eerder vaag. Het Minderhedenforum probeert de discriminatie tegen te gaan en de participatie te bevorderen door projecten te organiseren, door mensen naar adviesraden te leiden en door vorming te geven.

Hans Van Crombrugge over waarden en normen

Volgens Van Crombrugge zijn de meeste moslimouders niet bezig met de participatie in de samenleving. In de eerste plaats zijn ze bekommerd om de eigen gemeenschap en de manier waarop ze deze kunnen ondersteunen. De informatie hiervoor halen ze uit de groeiende markt van islamitische literatuur, geschreven door mensen die niet in islamitische landen leven. Een van de adviezen die in die literatuur gegeven wordt, is echter wel het actief participeren in de maatschappij en het zoeken van toenadering tot de niet-moslim. Maar dit is een project van zeer lange adem.

Over de hoofddoek en genderkwesties

De hoofddoekkwestie vormt ook een heikel punt binnen de opvoeding. Moslimouders voelen een spanning tussen het opvoeden van hun kinderen als goede burgers en als goede moslims. Die spanning zorgt ervoor dat er keuzes gemaakt moeten worden. Sommige ouders kiezen ervoor om hun dochters geen hoofddoek te laten dragen op school, maar wel als ze buiten de schoolpoort komen. Hun geweten gaat dan echter knagen en ze vragen zich af of ze wel goed handelen. Andere ouders kiezen ervoor om hun dochters naar een school te sturen waar de hoofddoek wel toegelaten is. Maar dan krijgen ze soms de reactie dat ze geen goede opleiding voor hun kinderen willen.

Een volgende problematiek heeft te maken met gender. Allochtone vrouwen hebben volgens Van Crombrugge meer kans op de arbeidsmarkt dan mannen. Dit zorgt ervoor dat de traditionele rolverdelingen binnen het gezin aangepast dienen te worden. Sommige vaders gaan hun kinderen meer helpen met hun huiswerk, andere vaders nemen ook huishoudelijke taken op. Van Crombrugge geeft dan ook het advies om creatief om te gaan met de rolverdeling tussen mannen en vrouwen, maar ook met deze tussen jongens en meisjes. Ook in de literatuur rond opvoeding wordt er niet langer gesproken over een verschillende opvoedingstaak voor de vader of de moeder, maar over de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders. Ook tussen de kinderen wordt er geen verschil meer gemaakt.

Over terroristen en handicaps

Daarnaast voelen jonge moslimouders zich bedreigd en gediscrimineerd. Ze zoeken naar een identiteit, maar worden zeer snel beschouwd als halve terroristen. Ze hebben het ook niet gemakkelijk binnen de eigen gemeenschap. Jonge moslimouders die zich herbronnen, beseffen dat verschillende gebruiken van hun ouders of grootouders voortkomen uit bijgeloof en dat ze die niet blindelings hoeven te volgen. Zo vormt de omgang met zieken en gehandicapten dikwijls een taboe in de gemeenschap, waarbij de handicap gezien wordt als een duivelse straf. Maar sommige jonge moslimouders beslissen om hun gehandicapt kind toch gewoon te laten participeren in de samenleving. Hoe men moet omgaan met dergelijke kwesties, zou een interessant thema zijn voor een volgende gespreksavond.

Kortom, het is allesbehalve gemakkelijk voor moslimouders om hun kinderen op te voeden in een niet-islamitische samenleving. Des te meer omdat de opvoeding binnen de islam niet alleen een taak is van de ouders, maar ook van de hele omgeving. In de westerse samenleving is men echter meer op zichzelf gericht. Er is de kritiek dat moslimouders meer op hun kinderen moeten letten, maar zij stellen dat ook de politieagent of de leerkracht een meer opvoedende taak moet opnemen.

Van Crombrugge brengt zo een interessante weergave van de situatie waarin verschillende moslimouders zich bevinden. Hoewel hij enkele tips geeft, blijft het moeilijk om in te schatten hoe jonge moslims hier concreet mee moeten omgaan. Wat zijn mogelijke oplossingen voor de vele problemen en barrières die jonge moslims zullen confronteren? Hoe zal de situatie in de toekomst evolueren? Toch probeert Van Crombrugge iedereen een algemene goede raad mee te geven: ‘Schaam je niet voor wie je bent en vlucht niet in de karikatuur die anderen van je maken. Realiseer wie je bent en plooi je niet te veel terug op je land van oorsprong. Zeg eerder “ik ben moslim” dan “ik ben van Marokko”. Zo profileer je je als een ware wereldburger.’

Pauze

Na het eerste deel van de gespreksavond blijven sommige aanwezigen met een dubbel gevoel achter. ‘Wat is het thema? Heb ik hier al iets over gehoord?’ Beide sprekers bezitten een duidelijke expertise binnen hun vakgebied, maar dit vakgebied blijkt niet helemaal aan te sluiten met het concrete thema van de gespreksavond. Het publiek aan het woord Na de pauze is er de gelegenheid om vragen te stellen aan beide sprekers. Twee werkgebieden blijken daarbij een grote interesse te wekken bij de mensen, namelijk de werkvloer en het onderwijs.

De werkvloer

‘Is het mogelijk om discriminatie op te lossen door zoals in de Verenigde Staten quota in te voeren in bedrijven?’ Volgens Lahlali zou ‘het kot te klein zijn’, als het Minderhedenforum dat zou vragen. Maar extreme situaties vragen extreme maatregelen. Volgens Van Crombrugge zijn er echter niet voldoende mensen om die quota vervolgens op te vullen en ligt het probleem bij het onderwijs en de uitsluitingmechanismen die daar spelen.

Het onderwijs

‘Hoe zal de toekomst eruit zien voor de jonge moslims binnen het nieuwe onderwijssysteem?’ Van Crombrugge kan hier niet op antwoorden, maar hij blijft hoopvol en stelt dat er zeker kansen zullen komen. ‘Wat doen scholen met de extra subsidies die ze krijgen als er meer allochtone jongeren komen?’ Van Crombrugge ziet dat er een tendens is naar grotere autonomie voor scholen. Hij geeft iedereen de raad om in de ouderraad van de school te zetelen. Zo kan men advies geven en om advies gevraagd worden.

De toekomst

Als de vraag gesteld wordt hoe de twee sprekers zelf de toekomst zien voor jonge moslims, slaat de vlam in de pan. Volgens Lahlali ziet die toekomst er geenszins rooskleurig uit. Er kan nog zo veel over participatie gepraat worden, het moet van twee kanten komen. Veel jongeren krijgen het deksel op de neus als ze willen participeren en gaan zich dan ook aan de rol van ‘leeggangers’ conformeren. De grondrechten in verband met allochtonen worden met de voeten getreden, waarbij sommige groepen, zoals de Roma, volledig in de marge gedrukt worden. Volgens Van Crombrugge moet men oppassen om niet tot een wij-zij verhaal te vervallen. Veel van wat gezegd wordt, geldt immers ook voor niet-allochtonen. De oorzaak moet eerder in de sociaaleconomische situatie dan in de etnisch-culturele achtergrond gezocht worden. Men moet hoopvol zijn, steeds naar het positieve blijven kijken en niet in de slachtofferrol kruipen.

De gespreksavond bracht verschillende boeiende elementen naar boven. Toch ontbrak het de sprekers aan een zekere toekomstvisie met concrete adviezen en tips. Er werd een stand van zaken gegeven van de situatie op de werkvloer en van de opvoeding door moslimouders. Maar over mogelijke verbeteringen werd weinig gezegd. Hoe kunnen de aanwezigen zelf werken aan een verbetering van de situatie van etnisch-culturele minderheden? Hoe kunnen we de 25% Vlamingen die het normaal vindt dat allochtonen minder kans maken op werk, op andere gedachten brengen? Hoe kunnen we onze kinderen het best de (inter)culturele competenties bijbrengen die ze nodig hebben?

Wie bewust gekomen was voor het onderwerp van deze gespreksavond, namelijk ‘jonge moslims op zoek naar een eigen plek’, keerde met een hongerig gevoel naar huis terug. Bovendien stelde één van de aanwezigen terecht dat ‘degenen die beleidsmatig iets kunnen doen aan de problematiek van integratie en participatie, niet aanwezig zijn op deze gespreksavond’. We kunnen er nog zoveel over praten of schrijven, als degenen die de macht in handen hebben dit niet horen of lezen, zullen er geen grote veranderingen komen. Want verandering heeft de steun nodig van zowel de gewone burgers als degenen die de macht in handen hebben.

FIEN INGELBRECHT, Stagiaire wereldgodsdiensten, interreligieuze dialoog en religiestudie - VOEM vzw Gent.


 

Image of calligraphy

"La connaissance est lumière, l'ignorance est obscurité"
Calligraphie de Abdelatif HABIB

 
VOEM-Secretariaat: Email: klik hier!
(Free script provided by JavaScript Kit)

Firefox Download Button  Get Thunderbird 

Webmaster:

      Update: 3 februari 2012